Met je neus bovenop de geschiedenis

'Er is modder, zoveel modder, dat men ergens tussen z'n ribben wel heel veel innerlijke zonneschijn moet bezitten, wil men niet het psychologische slachtoffer worden (Van die kapotte schoenen en natte voeten begrijpt U natuurlijk vanzelf wel)', schreef Ettie Hillesum in 1943 in kamp Westerbork.

Een beeld van hoe het kampterrein er in die periode uitgezien moet hebben, kregen we de afgelopen week bij het terrein van de voormalige vuilstort. Door de aanhoudende regenbuien was het terrein zeer moeilijk begaanbaar, maar toch waren er vrijwel dagelijks bezoekers die een kijkje wilden nemen bij het archeologisch onderzoek. Ter plekke kregen zij uitleg van de aanwezige archeologen en konden ze een blik werpen op de nieuwe vondsten.

Het publiek was zeer divers, van groepen militairen tot kinderen die een werkstuk maken over kamp Westerbork, van omwonenden tot toeristen die een weekje in Drenthe verbleven. Bij één van de rondleidingen hadden de bezoekers de bijzondere ervaring dat er een ooggetuige in het gezelschap was. Een van de deelnemers van de rondleiding bleek als jongetje van zes jaar op bezoek te zijn geweest in kamp Westerbork. Zijn oom werkte als bewaker bij de entree van het kamp. Zijn herinneringen uit eerste hand konden gecombineerd worden met de tastbare sporen van het kamp.

Met name de voorwerpen die een directe relatie hadden met het dagelijks leven in het doorgangskamp Westerbork maakten indruk op de bezoekers: flesjes uit het kampziekenhuis, batterijen uit de werkplaatsen, knopen en muntjes. 'Je staat direct met je neus boven op de geschiedenis, dat doet je wel wat', zoals een van de deelnemers aan de rondleiding na afloop opmerkte.