1948



In het laatste jaar (1948) veranderde de status van het Interneringkamp Westerbork. Vanwege de hoge kosten besloot de regering de meeste mensen naar huis te laten terugkeren. Een leegloop van de kampen volgde: in anderhalf jaar tijd daalde het aantal geïnterneerden met meer dan 70.000.

De achterblijvers in Westerbork waren zogeheten ‘zware gevallen’: NSB-burgemeesters, ‘foute’ politiemannen en (voornamelijk) Nederlandse Waffen-SS’ers. Zij kregen te maken met erbarmelijke omstandigheden. De barakken misten na jaren van intensief gebruik meubels, ramen en zelfs vloeren. De toiletten waren ronduit smerig.

Op 1 december 1948 sloot het kamp zijn poorten. De meeste overgebleven geïnterneerden konden naar huis. Van echte vrijheid was geen sprake. Veel geïnterneerden concludeerden dat de oorlog voor hen pas op 5 mei 1945 was begonnen: bij de bevrijding hadden zij hun lichamelijke, materiële en sociale vrijheid verloren. De internering ontnam hun vervolgens de geestelijke vrijheid.

Op 15 april 1947 werd de vader van Anneke Brouwers vrijgelaten. Twee weken daarvoor scheef hij aan zijn familie. ‘De busdienstregeling heb ik goed genoteerd. Je moet maar eens zien of je me komt afhalen. Ik zal om ongeveer 11 uur de poort uitkomen. Zwaar beladen met twee koffers en een pak dekens. Het is nu maar een zucht meer. Ik kan me echter nog niet voorstellen, dat ik dan weer gewoon bij jullie zal zijn. De omstandigheden zijn wel veranderd. Geen woning, geen meubelen, geen betrekking. We zullen proberen een nieuwe toekomst op te bouwen.’